Strafrecht overig

Medeplegen voorbereidingshandelingen invoer van cocaïne vanuit Caribisch deel Koninkrijk der Nederlanden naar…

Hoge Raad, 6 juni 2023

Zaakgegevens

Op 6 juni 2023 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
6 juni 2023
Datum publicatie
31 mei 2023
Zaaknummer
20/01279
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2023:820
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen voorbereidingshandelingen invoer van cocaïne vanuit Caribisch deel Koninkrijk der Nederlanden naar Nederland, meermalen gepleegd (art. 10a.1 jo. 10.4 Opiumwet), deelneming aan criminele organisatie die zich bezighoudt met invoer van cocaïne (art. 11b.1 Opiumwet) en voorhanden hebben van patronen (art. 26.1 WWM). 1. Afwijzing van ttz. in hoger beroep gedaan verzoek tot horen van getuige op de grond dat concrete gegevens omtrent deze persoon ontbreken waardoor het niet mogelijk is hem te traceren. 2. Voldoet procedure als geheel aan recht op eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM, gelet op ontbreken van mogelijkheid om getuige te horen?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met HR:2022:192, HR:2022:193 en HR:2022:194.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 7 april 2020

    ECLI:NL:GHAMS:2020:1040
  2. Conclusie A-G · 11 april 2023

    ECLI:NL:PHR:2023:419
  3. Hoge Raad · 6 juni 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2023:820

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/01279

Datum 6 juni 2023

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 31 maart 2020, nummer 23-000060-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden. In de omstandigheid dat de Hoge Raad pas uitspraak doet nadat meer dan 36 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, vindt de Hoge Raad aanleiding de opgelegde gevangenisstraf te verminderen met twee maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze zestien maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juni 2023.