Strafrecht overig

Profijtontneming, w.v.v. a.b.i. art. 36e.3 Sr na veroordeling t.z.v. gewoontewitwassen. Methode van…

Hoge Raad, 13 juni 2023

Zaakgegevens

Op 13 juni 2023 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13 juni 2023
Datum publicatie
5 juni 2023
Zaaknummer
20/04342
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2023:851
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Profijtontneming, w.v.v. a.b.i. art. 36e.3 Sr na veroordeling t.z.v. gewoontewitwassen. Methode van eenvoudige kasopstelling. 1. Afwijzing van bij appelschriftuur gedaan en ttz. in hoger beroep gehandhaafd verzoek tot horen van 5 getuigen. 2. Vaststelling van w.v.v. Is het gelet op strafrechtelijk financieel onderzoek aannemelijk dat bewezenverklaard witwassen of andere strafbare feiten ertoe hebben geleid dat betrokkene € 676.604,32 aan wederrechtelijk voordeel heeft verkregen? 3. Vaststelling van w.v.v. Kon hof contante uitgaven en inkomsten van zonnebankondernemingen in kasopstelling betrekken als door economische eenheid tussen betrokkene en zijn vrouw gedaan?

HR: 81.1 RO. Samenhang met 21/01314.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 7 maart 2023

    ECLI:NL:PHR:2023:268
  2. Hoge Raad · 13 juni 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2023:851

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/04342 P

Datum 13 juni 2023

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 december 2020, nummer 21-000557-18, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste

van

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

hierna: de betrokkene.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman van de betrokkene heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

2.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die in cassatie aanhangig is onder nr. 21/01314, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

3 Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juni 2023.