Strafrecht overig

Opzetheling gestolen auto waarin verdachte wordt aangetroffen zonder dat hij over sleutel beschikt, art…

Hoge Raad, 20 juni 2023

Zaakgegevens

Op 20 juni 2023 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20 juni 2023
Datum publicatie
16 juni 2023
Zaaknummer
21/04900
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2023:940
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Opzetheling gestolen auto waarin verdachte wordt aangetroffen zonder dat hij over sleutel beschikt, art. 416.1.a Sr. Bewijsklacht. Heeft hof zijn oordeel t.a.v. kennelijke leugenachtigheid van verklaring(en) van verdachte op wettig bewijsmiddel gebaseerd?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 9 mei 2023

    ECLI:NL:PHR:2023:593
  2. Hoge Raad · 20 juni 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2023:940

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/04900

Datum 20 juni 2023

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 november 2021, nummer 23-000887-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, S. van den Akker en M.J. van Berlo, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken en de taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juni 2023.