Strafrecht overig

Profijtontneming, w.v.v. uit (als leider) deelnemen aan criminele organisatie met oogmerk overtreding van Wet…

Hoge Raad, 8 oktober 2024

Zaakgegevens

Op 8 oktober 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
8 oktober 2024
Datum publicatie
3 oktober 2024
Zaaknummer
22/02528
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1390
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Profijtontneming, w.v.v. uit (als leider) deelnemen aan criminele organisatie met oogmerk overtreding van Wet op de Kansspelen. Aanhoudingsverzoek voorafgaand aan tz. in hoger beroep door gemachtigde raadsman per e-mail gedaan en ttz. herhaald op de grond dat verdachte door medische oorzaak niet van Turkije naar Nederland kan vliegen, door hof afgewezen (mede) omdat uit medische verklaring alleen blijkt dat vliegen “inconvenient” (onhandig) is. Had hof nader onderzoek moeten doen naar strekking medische verklaring, althans gelegenheid moeten bieden tot nadere onderbouwing?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/02432.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 25 juni 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:637
  2. Hoge Raad · 8 oktober 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:1390

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/02528 P

Datum 8 oktober 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 29 juni 2022, nummer 22-004133-18, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste

van

[betrokkene],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de betrokkene.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft M.C. van der Want, advocaat in Middelburg, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die in cassatie aanhangig is onder nr. 22/02432, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2024.