Strafrecht overig

Medeplegen beschikbaar stellen en verhandelen van grote hoeveelheid inloggegevens, art. 139d.2.b Sr…

Hoge Raad, 5 november 2024

Zaakgegevens

Op 5 november 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
5 november 2024
Datum publicatie
22 oktober 2024
Zaaknummer
22/01979
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1523
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen beschikbaar stellen en verhandelen van grote hoeveelheid inloggegevens, art. 139d.2.b Sr. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat niet bewezen kan worden dat verdachte inloggegevens voorhanden heeft gehad en heeft verkocht met het oogmerk dat daarmee computermisdrijven worden gepleegd, art. 359.2 Sv.

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/01978 P.

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 24 mei 2022

    ECLI:NL:GHARL:2022:4105
  2. Conclusie A-G · 3 september 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1162
  3. Hoge Raad · 5 november 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:1523

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/01979

Datum 5 november 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 mei 2022, nummer 21-002378-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.H.J. van Dooijeweert, advocaat in Barneveld, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging, maar uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze zeventien maanden en drie weken, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2024.