Strafrecht overig

Eendaadse samenloop van medeplichtigheid aan productie van amfetamine (art. 2.D Opiumwet jo. art. 48.2 Sr) en…

Hoge Raad, 26 november 2024

Zaakgegevens

Op 26 november 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26 november 2024
Datum publicatie
22 november 2024
Zaaknummer
22/00492
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1737
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Eendaadse samenloop van medeplichtigheid aan productie van amfetamine (art. 2.D Opiumwet jo. art. 48.2 Sr) en voorbereidingshandelingen m.b.t. productie van amfetamine (art. 10a.1.2 jo. 10.4 Opiumwet) door schuur te verhuren aan anderen die daarin drugslaboratorium opzetten, terwijl kort daarvoor in andere door verdachte verhuurde garages een hennepkwekerij is aangetroffen. 1. Bewijsklachten medeplichtigheid (opzet op gronddelict) en voorbereidingshandelingen. Heeft verdachte aanmerkelijke kans aanvaard dat in de door hem verhuurde schuur een overtreding van Opiumwet zou plaatsvinden? 2. Gebruik van “schakelbewijsconstructie”. Kon hof de eerdere ervaring van verdachte met verhuur van garages waarin hennepkwekerij is aangetroffen betrekken in zijn nadere bewijsoverwegingen?

HR: art. 81 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 15 oktober 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1058
  2. Hoge Raad · 26 november 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:1737

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/00492

Datum 26 november 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 8 februari 2022, nummer 20-001713-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zestien maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze vijftien maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 november 2024.