Strafrecht overig

Mishandeling van zijn dochtertje, gedurende periode van ruim 4 jaar door haar met kracht tegen lichaam te…

Zaakgegevens

Op 6 februari 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
6 februari 2024
Datum publicatie
5 februari 2024
Zaaknummer
22/02767
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:183
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Mishandeling van zijn dochtertje, gedurende periode van ruim 4 jaar door haar met kracht tegen lichaam te slaan, schoppen en knijpen, meermalen gepleegd (art. 300.1 jo. 304.1 (oud) Sr), seksueel misbruik van 10- of 11-jarig vriendinnetje van dochter dat bij hen thuis logeerde (art. 244 Sr) en bezit kinderporno (art. 240b.1 Sr). 1. Bewijsklacht mishandeling. 2. Bewijsklacht seksueel misbruik. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. betrouwbaarheid verklaringen van aangeefster, art. 359.2 Sv. 3. Vordering benadeelde partij en opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Dient vordering b.p. te worden gematigd gelet op bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend? 4. Bewijsklacht pleegperiode bezit kinderporno.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 12 december 2023

    ECLI:NL:PHR:2023:1092
  2. Hoge Raad · 6 februari 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:183

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/02767

Datum 6 februari 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 juli 2022, nummer 22-003273-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 februari 2024.