Strafrecht overig

Eendaadse samenloop van verkrachting (art. 242 (oud) Sr) en mishandeling (art. 300.1 Sr). TBS met…

Hoge Raad, 10 december 2024

Zaakgegevens

Op 10 december 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10 december 2024
Datum publicatie
9 december 2024
Zaaknummer
23/04015
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1832
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Eendaadse samenloop van verkrachting (art. 242 (oud) Sr) en mishandeling (art. 300.1 Sr). TBS met dwangverpleging opgelegd. 1. Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van resultaten van DNA-onderzoek, art. 359a Sv. 2. Ziekelijke stoornis van geestvermogens t.t.v. feit, art. 37a Sr. Heeft hof oplegging van TBS met dwangverpleging (bij weigerende observandus) voldoende gemotiveerd?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 3 oktober 2023

    ECLI:NL:GHAMS:2023:2223
  2. Conclusie A-G · 5 november 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1157
  3. Hoge Raad · 10 december 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:1832

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/04015

Datum 10 december 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 oktober 2023, nummer 23-001731-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Nu de Hoge Raad de zaak binnen veertien maanden na het instellen van het cassatieberoep afdoet, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn in voldoende mate wordt gecompenseerd, kan – wat betreft de totale duur van de behandeling in cassatie – niet worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM.

3.3

Het cassatiemiddel faalt dus.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2024.