Strafrecht overig

Medeplegen witwassen van door oplichting verkregen geldbedragen door rechtspersoon, meermalen gepleegd, art…

Hoge Raad, 27 februari 2024

Zaakgegevens

Op 27 februari 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27 februari 2024
Datum publicatie
9 februari 2024
Zaaknummer
21/04834
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:227
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen witwassen van door oplichting verkregen geldbedragen door rechtspersoon, meermalen gepleegd, art. 420bis.1.b Sr. 1. Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid OM vanwege onzorgvuldige bewaring van inbeslaggenomen dragers van elektronische gegevens, waardoor niet de complete digitale administratie voor verdediging toegankelijk was. 2. Bewijsklacht. Kan overdragen en/of omzetten van geldbedragen uit bewijsvoering volgen?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 21/04830, 21/04832, 21/04835 en 21/04841.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 9 januari 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:30
  2. Hoge Raad · 27 februari 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:227

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/04834

Datum 27 februari 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 november 2021, nummer 22-002658-13, in de strafzaak

tegen

[verdachte] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R. Zilver, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van € 5.000 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 februari 2024.