Strafrecht overig

Medeplegen oplichting, meermalen gepleegd (art. 326.1 Sr) en medeplegen witwassen van uit oplichting…

Hoge Raad, 27 februari 2024

Zaakgegevens

Op 27 februari 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27 februari 2024
Datum publicatie
9 februari 2024
Zaaknummer
21/04841
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:230
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen oplichting, meermalen gepleegd (art. 326.1 Sr) en medeplegen witwassen van uit oplichting verkregen geldbedragen, meermalen gepleegd (art. 420bis.1.b Sr). 1. Afwijzing van een bij appelschriftuur gedaan en ttz. in hoger beroep gehandhaafd verzoek tot horen van getuigen op de grond dat onvoldoende is onderbouwd dat horen van deze personen van belang kan zijn voor enige in strafzaak uit hoofde van art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing? 2. Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid OM vanwege onzorgvuldige bewaring van dragers van elektronische gegevens, waardoor niet de complete digitale administratie voor verdediging toegankelijk was. 3. Bewijsklachten oplichting m.b.t. oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling, toepassen van oplichtingsmiddelen en bewegen tot afgifte van geldbedragen.

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 21/04830, 21/04832, 21/04834 en 21/04835.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 9 januari 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:27
  2. Hoge Raad · 27 februari 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:230

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/04841

Datum 27 februari 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 november 2021, nummer 22-002613-13, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaat te Rotterdam, hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van € 5.000, subsidiair 60 dagen hechtenis, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 februari 2024.