Strafrecht overig

Caribische zaak. Schietpartij op parkeerterrein bij nachtclub in Sint Maarten. Medeplegen (poging tot)…

Hoge Raad, 12 maart 2024

Zaakgegevens

Op 12 maart 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12 maart 2024
Datum publicatie
8 maart 2024
Zaaknummer
22/01695
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:369
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Caribische zaak. Schietpartij op parkeerterrein bij nachtclub in Sint Maarten. Medeplegen (poging tot) doodslag (art. 2:259 jo. 1:119 jo. 1:123 SrStM) en medeplegen voorhanden hebben van vuurwapens en hulzen (art. 3.1 Vuurwapenverordening). 1. Noodweer(exces), art. 1:114 en 1:115 SrSM. Heeft zich een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding voorgedaan waartegen verdachte zich moest verdedigen? 2. Motivering opgelegde schadevergoedingsmaatregel, art. 1:78 SrStM en art. 402.4 SvStM.

HR: art. 81.1 RO . Samenhang met 22/01696 C.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 23 januari 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:80
  2. Hoge Raad · 12 maart 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:369

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/01695 C

Datum 12 maart 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 31 maart 2022, nummer H 37/2020, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.J.M. Dammers, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. De Hoge Raad doet in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twintig jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze negentien jaren en zes maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 maart 2024.