Strafrecht overig

Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Nederlandse nationaliteit) naar Marokko t.z.v. medeplichtigheid aan…

Zaakgegevens

Op 23 april 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23 april 2024
Datum publicatie
17 april 2024
Zaaknummer
23/00981
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:615
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Nederlandse nationaliteit) naar Marokko t.z.v. medeplichtigheid aan opzettelijke levensberoving met voorbedachten rade, medeplichtigheid aan poging tot opzettelijke levensberoving met voorbedachte raad en criminele bendevorming. 1. Verweer dat t.a.v. opgeëiste persoon blijkt van concreet gevaar voor dreigende flagrante schending van recht op eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM. 2. Kon Rb oordelen dat niet kan worden vastgesteld dat opgeëiste persoon geen effectief rechtsmiddel a.b.i. art. 13 EVRM ten dienste staat?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 2 april 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:351
  2. Hoge Raad · 23 april 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:615

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/00981 U

Datum 23 april 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 maart 2023, nummer UTL-I-[…], op een verzoek van het Koninkrijk Marokko tot uitlevering

van

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

hierna: de opgeëiste persoon.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

De raadslieden van de opgeëiste persoon hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 april 2024.