Strafrecht overig

Economische zaak. Zonder vergunning rooien van groot aantal volwassen bomen (art. 2.1.1.b Wet algemene…

Hoge Raad, 14 mei 2024

Zaakgegevens

Op 14 mei 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14 mei 2024
Datum publicatie
14 mei 2024
Zaaknummer
22/01510
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:700
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Economische zaak. Zonder vergunning rooien van groot aantal volwassen bomen (art. 2.1.1.b Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) en zonder sloopmelding verwijderen van snijerij (art. 1b.5 Woningwet) op terrein van voormalige glasfabriek in Tiel, begaan door rechtspersoon. 1. Verweer dat tlgd. “rooien” van bomen niet kan worden bewezenverklaard. Kon hof oordelen dat onderscheid tussen vellen van bomen en rooien van boomstronken “gekunsteld” is en afdoet aan strekking van Wabo? 2. Verweer dat geen sprake is van sloopwerkzaamheden. Heeft verdachte een bouwwerk (productielijn van snijerij) gesloopt?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/01508 E.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 16 april 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:420
  2. Hoge Raad · 14 mei 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:700

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/01510 E

Datum 14 mei 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, economische kamer, van 13 april 2022, nummer 21-002791-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.G.J. Laan, advocaat te Hoorn, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ten aanzien van de opgelegde geldboete en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 mei 2024.