Strafrecht overig
Caribische zaak. Medeplegen oplichting van havenbedrijf in Sint Maarten, art. 49 jo. 339 SrNA (oud) en…
Hoge Raad, 4 juni 2024
ECLI:NL:HR:2024:800 · Hoge Raad · 4 juni 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2024-800
Zaakgegevens
Op 4 juni 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 juni 2024
- Datum publicatie
- 31 mei 2024
- Zaaknummer
- 22/02491
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:800
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Caribische zaak. Medeplegen oplichting van havenbedrijf in Sint Maarten, art. 49 jo. 339 SrNA (oud) en actieve ambtelijke omkoping van parlementslid door pr-medewerker van havenbedrijf die tevens consultant is van baggerbedrijf met wie het havenbedrijf in onderhandeling is over contract voor baggerwerkzaamheden (meermalen gepleegd), art. 183 SrNA (oud). 1. Bewijsklacht oplichting. Kon hof oordelen dat havenbedrijf is bewogen tot afgifte van totaalbedrag van ongeveer USD 2,7 miljoen? 2. Afwijzing van verzoek tot voegen van ‘kluisverklaringen’ van medeverdachte bij processtukken dan wel verlenen van inzage daarin, art. 358.1 en 371 SvSM. Kon hof oordelen dat ‘kluisverklaringen’ niet tot processtukken in onderhavige strafzaak behoren, geen voor verdachte ontlastende strekking hebben en niet relevant zijn voor door hof ttz. te nemen beslissing?
HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/04049 C.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 26 maart 2024
ECLI:NL:PHR:2024:338Hoge Raad · 4 juni 2024deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2024:800
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02491 C
Datum 4 juni 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 21 juni 2022, nummer H 08/2020, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van der Laan, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juni 2024.