Strafrecht overig

Beklag o.g.v. art. 5.1.11 jo 552a Sv, beslag ex art. 94 Sv op diverse goederen onder klager n.a.v…

Zaakgegevens

Op 30 januari 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30 januari 2024
Datum publicatie
25 januari 2024
Zaaknummer
23/02521
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:81
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Beklag o.g.v. art. 5.1.11 jo 552a Sv, beslag ex art. 94 Sv op diverse goederen onder klager n.a.v. rechtshulpverzoeken van Amerikaanse autoriteiten. 1. Is Rb Oost-Brabant bevoegd om te beslissen op beklag, nu beslaglegging in Breukelen heeft plaatsgevonden? Art. 5.1.11.1 jo 552a.3 en 552a.4 Sv. 2. Motivering beslissing tot ongegrondverklaring beklag. Is voldaan aan vereiste van dubbele strafbaarheid? 3. Heeft Rb binnen voorgeschreven termijn van 30 dagen na ontvangst van klaagschrift beslist? Art. 5.1.11 jo. 552a.9 Sv.

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/02495 Br, 23/02496 Br, 23/02497 Br, 23/02531 Br en 23/02532 Br.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 19 december 2023

    ECLI:NL:PHR:2023:1180
  2. Hoge Raad · 30 januari 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:81

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/02521 Br

Datum 30 januari 2024

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 mei 2023, nummer RK 22/027435, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.1.11 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klager],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

hierna: de klager.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze hebben M.M. Kuyp en J.L. Baar, beiden advocaat te Laren NH, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2024.