Strafrecht overig

Voorbereidingshandelingen m.b.t. productie van amfetamine en MDMA, art. 10a Opiumwet. Bewijsklacht huur van…

Zaakgegevens

Op 25 juni 2024 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25 juni 2024
Datum publicatie
11 juni 2024
Zaaknummer
23/01310
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:852
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Voorbereidingshandelingen m.b.t. productie van amfetamine en MDMA, art. 10a Opiumwet. Bewijsklacht huur van bedrijfspand/opslagruimte. Kunnen onroerende zaken worden aangemerkt als ‘voorwerpen’ a.b.i. art. 10a Opiumwet? Om redenen vermeld in HR:2024:851 leidt middel niet tot cassatie.

Volgt verwerping. Samenhang met 23/01309.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 16 april 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:402
  2. Hoge Raad · 25 juni 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:852

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/01310

Datum 25 juni 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 maart 2023, nummer 20-000435-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van overtreding van artikel 10a van de Opiumwet voor zover die bewezenverklaring inhoudt dat de verdachte en zijn mededader een bedrijfspand/opslagruimte hebben gehuurd.

2.2

Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 23/01309, ECLI:NL:HR:2024:851.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2024.