Strafrecht overig

Medeplegen witwassen van geldbedragen, art. 420bis.1.b Sr. Bewijsklachten. Kon hof oordelen dat verdachte tas…

Hoge Raad, 14 januari 2025

Zaakgegevens

Op 14 januari 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14 januari 2025
Datum publicatie
18 december 2024
Zaaknummer
23/00339
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:17
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen witwassen van geldbedragen, art. 420bis.1.b Sr. Bewijsklachten. Kon hof oordelen dat verdachte tas met geld voorhanden heeft gehad/heeft overgedragen en dat verdachte wist wat inhoud van tas was?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 10 december 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1312
  2. Hoge Raad · 14 januari 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:17

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/00339

Datum 14 januari 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 januari 2023, nummer 20-002613-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.J.N. Vermeij, advocaat in Den Haag, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De plaatsvervangend advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 januari 2025.