Strafrecht overig
Poging tot doodslag (art. 287 Sr) en bedreiging, meermalen gepleegd (art. 285.1 Sr) door in 2018 in…
Hoge Raad, 25 november 2025
ECLI:NL:HR:2025:1731 · Hoge Raad · 25 november 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2025-1731
Zaakgegevens
Op 25 november 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 november 2025
- Datum publicatie
- 20 november 2025
- Zaaknummer
- 23/04848
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:1731
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Poging tot doodslag (art. 287 Sr) en bedreiging, meermalen gepleegd (art. 285.1 Sr) door in 2018 in Waddinxveen een vuurwapen te tonen en daarmee in richting van aangevers te schieten na ruzie bij voordeur van woning van verdachte tijdens seksdate. 1. Bewijsklachten bedreiging. Innerlijke tegenstrijdigheid bewezenverklaring. Kan uit de door hof gebruikte bewijsmiddelen volgen dat verdachte een vuurwapen heeft getoond en (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op bedreiging van aangevers? 2. Schriftuur benadeelde partijen, immateriële schade. Kon hof oordelen dat behandeling van deel van vorderingen van b.p.’s onevenredige belasting van strafgeding oplevert?
HR: art. 81.1 RO.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 4 december 2023
ECLI:NL:GHDHA:2023:2871Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 9 september 2025
ECLI:NL:PHR:2025:938Hoge Raad · 25 november 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:1731
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04848
Datum 25 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 4 december 2023, nummer 22-003196-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft de advocaat L.A. Alderlieste bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld en het cassatiemiddel dat namens de benadeelde partijen is voorgesteld
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 43 maanden.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 41 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 november 2025.