Strafrecht overig
Overval met ‘inside job’ in 2016 in Amsterdam op waardetransport van luxegoederen (horloges en sieraden) door…
Hoge Raad, 9 december 2025
ECLI:NL:HR:2025:1828 · Hoge Raad · 9 december 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2025-1828
Zaakgegevens
Op 9 december 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 december 2025
- Datum publicatie
- 3 december 2025
- Zaaknummer
- 23/02798
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:1828
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Overval met ‘inside job’ in 2016 in Amsterdam op waardetransport van luxegoederen (horloges en sieraden) door als bestuurder van bestelbus met medeverdachte en bijrijder naar afgelegen plek te rijden, waarna luxegoederen zijn buitgemaakt, bijrijder is bedreigd, van zijn vrijheid is beroofd en onder bedreiging zijn mobiele telefoon moest afgeven, en bestelbus door overvallers is leeggehaald en in brand gestoken, terwijl verdachte en bijrijder nog in bestelbus zaten. Medeplegen diefstal met geweld en afpersing (art. 312.2.2 en 317.3 jo. 312.2.2 Sr), medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving (art. 282.1 Sr), medeplegen brandstichting (art. 157.2 Sr) en medeplegen vernieling van bestelbus (art. 350.1 Sr). 1. Bewijsklachten m.b.t. redengevendheid voor bewezenverklaring van het in bestanden genoemde ‘gesprek’ en medeplegen. 2. Bewijsklacht brandstichting t.a.v. ‘te duchten levensgevaar’ a.b.i. art. 157 Sr. Kon hof oordelen dat levensgevaar voor bijrijder te duchten was en dat dit voor verdachte en medeverdachten t.t.v. brandstichting voorzienbaar was?
HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/02684 en 23/02685.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 10 juli 2023
ECLI:NL:GHAMS:2023:1612Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 4 november 2025
ECLI:NL:PHR:2025:1153Hoge Raad · 9 december 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:1828
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02798
Datum 9 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 juli 2023, nummer 23-001020-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 70 maanden.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 67 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2025.