Strafrecht overig

Profijtontneming, w.v.v. uit het zonder vergunning optreden als betaaldienstverlener. 1. Kon hof uitspraak Rb…

Hoge Raad, 16 december 2025

Zaakgegevens

Op 16 december 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 december 2025
Datum publicatie
12 december 2025
Zaaknummer
23/00517
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1922
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Profijtontneming, w.v.v. uit het zonder vergunning optreden als betaaldienstverlener. 1. Kon hof uitspraak Rb bevestigen, terwijl het grondslag voor ontnemingsmaatregel heeft gewijzigd? 2. Kon hof oordelen dat voldoende aanwijzingen bestaan dat betrokkene feiten waarvoor geldboete van vijfde categorie kan worden opgelegd, heeft begaan? 3. Motivering schatting w.v.v. Heeft hof nagelaten inhoud van bewijsmiddelen waarop het de schatting heeft gebaseerd weer te geven?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/00518 en 23/00595.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 3 februari 2023

    ECLI:NL:GHAMS:2023:285
  2. Conclusie A-G · 14 oktober 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:1120
  3. Hoge Raad · 16 december 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:1922

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/00517 P

Datum 16 december 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 3 februari 2023, nummer 23-002606-15, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste

van

[betrokkene] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,

hierna: de betrokkene.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nr. 23/00518, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. Die zaak wordt onder meer wat betreft de strafoplegging teruggewezen naar het gerechtshof Amsterdam. Dat hof zal in die zaak beoordelen of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. (Vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3575.)

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025.