Strafrecht overig

Profijtontneming, w.v.v. uit deelneming aan criminele organisatie en hennepteelt. Redelijke termijn in…

Hoge Raad, 16 december 2025

Zaakgegevens

Op 16 december 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 december 2025
Datum publicatie
14 december 2025
Zaaknummer
23/02851
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1928
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Profijtontneming, w.v.v. uit deelneming aan criminele organisatie en hennepteelt. Redelijke termijn in feitelijke aanleg. Kon hof volstaan met matiging van betalingsverplichting met € 2.000 a.g.v. overschrijding van redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/02932 P, 23/02983 P en 23/03023 P. Vervolg op 22/02806 (niet gepubliceerd; strafzaak; geen middelen ingediend; verdachte n-o).

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 24 juni 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:803
  2. Hoge Raad · 16 december 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:1928

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/02851 P

Datum 16 december 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 juli 2023, nummer 21-002194-19, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste

van

[betrokkene] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,

hierna: de betrokkene.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 203.220,53.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 198.220 bedraagt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025.