Strafrecht overig

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.1 en 225.2 Sr) en witwassen van uit valsheid in geschrift…

Hoge Raad, 14 januari 2025

Zaakgegevens

Op 14 januari 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14 januari 2025
Datum publicatie
9 januari 2025
Zaaknummer
22/03284
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:50
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.1 en 225.2 Sr) en witwassen van uit valsheid in geschrift verkregen geldbedrag (art. 420bis.1.a en 420bis.1.b Sr). 1. Afwijzing van een bij appelschriftuur gedaan en ttz. in hoger beroep gehandhaafd verzoek tot het horen van 3 getuigen, op de grond dat onvoldoende is onderbouwd wat horen van deze personen zou kunnen toevoegen aan verklaringen van andere getuigen resp. dat verklaring in belang van verdediging kan zijn. 2. Bewijsklachten valsheid in geschrift en witwassen.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 23 augustus 2022

    ECLI:NL:GHAMS:2022:3178
  2. Hoge Raad · 14 januari 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:50

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/03284

Datum 14 januari 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 23 augustus 2022, nummer 23-004163-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [plaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, advocaat in Rotterdam, en V.C. van der Velde, advocaat in Almere, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van acht maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze zeven maanden en drie weken beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. BroekhuizenMeuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 januari 2025.