Strafrecht overig

Zedenzaak. Ontucht met 10-jarige jongen door 33-jarige verdachte tijdens het gamen, art. 247 (oud) Sr…

Hoge Raad, 3 juni 2025

Zaakgegevens

Op 3 juni 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
3 juni 2025
Datum publicatie
9 april 2025
Zaaknummer
24/02989
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:542
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Zedenzaak. Ontucht met 10-jarige jongen door 33-jarige verdachte tijdens het gamen, art. 247 (oud) Sr. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangever voldoende steun in ander bewijsmateriaal?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 25 maart 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:350
  2. Hoge Raad · 3 juni 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:542

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/02989

Datum 3 juni 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juli 2024, nummer 21-000585-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.G. Vos bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2025.