Strafrecht overig

Profijtontneming, w.v.v. uit handel in cocaïne en andere strafbare feiten a.b.i. art. 36e.2 Sr. 1. Motivering…

Zaakgegevens

Op 15 april 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15 april 2025
Datum publicatie
11 april 2025
Zaaknummer
22/03939
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:567
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Profijtontneming, w.v.v. uit handel in cocaïne en andere strafbare feiten a.b.i. art. 36e.2 Sr. 1. Motivering schatting w.v.v. Zijn er voldoende aanwijzingen zijn dat betrokkene in periode van 1-1-2013 tot 14-11-2016 (voorafgaand aan bewezenverklaarde periode in strafzaak) in totaal 85 dagen als drugskoerier werkzaam is geweest? 2. Motivering schatting w.v.v. Is door hof geschat aantal drugstransacties van 6.890 toereikend gemotiveerd?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 14 oktober 2022

    ECLI:NL:GHARL:2022:8982
  2. Conclusie A-G · 11 februari 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:155
  3. Hoge Raad · 15 april 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:567

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/03939 P

Datum 15 april 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 oktober 2022, nummer 21-000927-20, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste

van

[betrokkene] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de betrokkene.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat F.P. Slewe bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 45.382,88.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 43.112 bedraagt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2025.