Strafrecht overig

Profijtontneming w.v.v. uit invoer van cocaïne en voorbereidingshandelingen daarvoor. Methode van eenvoudige…

Hoge Raad, 22 april 2025

Zaakgegevens

Op 22 april 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22 april 2025
Datum publicatie
18 april 2025
Zaaknummer
22/04842
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:649
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Profijtontneming w.v.v. uit invoer van cocaïne en voorbereidingshandelingen daarvoor. Methode van eenvoudige kasopstelling, art. 36e.3 Sr. Motivering schatting w.v.v. Kon hof oordelen dat verschillende contante bedragen die in huis van betrokkene in beslag zijn genomen, net als 3 contante stortingen die zijn gedaan op bankrekeningen van kinderen van betrokkene, aan betrokkene toebehoren?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/04361, 22/04426, 22/04480 en 22/04481.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 20 december 2022

    ECLI:NL:GHDHA:2022:3042
  2. Conclusie A-G · 11 februari 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:145
  3. Hoge Raad · 22 april 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:649

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/04842 P

Datum 22 april 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 20 december 2022, nummer 22-002072-20, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste

van

[betrokkene] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

hierna: de betrokkene.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die in cassatie aanhangig is onder nr. 22/04480, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. (Vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3575.)

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2025.