Strafrecht overig

Beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt in slaapkamer van woning van verdachte, art. 3B jo. 11.3 Opiumwet…

Hoge Raad, 21 januari 2025

Zaakgegevens

Op 21 januari 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 januari 2025
Datum publicatie
8 mei 2025
Zaaknummer
22/02849
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:716
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt in slaapkamer van woning van verdachte, art. 3B jo. 11.3 Opiumwet. Bewijsklacht in uitoefening van beroep of bedrijf. Kan uit bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte in uitoefening van beroep of bedrijf hennep heeft geteeld, nu bewezenverklaard aantal hennepplanten (37) relatief beperkt is en bewezenverklaarde periode maar 1 dag beslaat?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/02848 P (niet gepubliceerd, art. 81.1 RO).

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 12 november 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1210
  2. Hoge Raad · 21 januari 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:716

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/02849

Datum 21 januari 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 juli 2022, nummer 21-003277-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van tachtig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2025.