Strafrecht overig

Poging tot doodslag door (n.a.v. conflict) een ander 4 maal met mes in zijn lichaam te steken, nadat die…

Hoge Raad, 21 januari 2025

Zaakgegevens

Op 21 januari 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 januari 2025
Datum publicatie
13 januari 2025
Zaaknummer
22/02871
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:73
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Poging tot doodslag door (n.a.v. conflict) een ander 4 maal met mes in zijn lichaam te steken, nadat die ander de verdachte met krik heeft geslagen (art. 287 Sr). 1. Bewijsklacht. Denaturering verklaring getuige. 2. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt t.a.v. betrouwbaarheid van verklaringen van aangever en getuigen, art. 359.2 Sv. 3. Noodweer, art. 41.1 Sr. Proportionaliteitseis.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 28 juli 2022

    ECLI:NL:GHDHA:2022:1420
  2. Conclusie A-G · 12 november 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1166
  3. Hoge Raad · 21 januari 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:73

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/02871

Datum 21 januari 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 juli 2022, nummer 22-002589-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.I. Takens en T.P.A.M. Wouters, beiden advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze elf maanden en twee weken beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2025.