Strafrecht overig

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid (art. 246 (oud) Sr). 1. Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid…

Hoge Raad, 21 januari 2025

Zaakgegevens

Op 21 januari 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 januari 2025
Datum publicatie
13 januari 2025
Zaaknummer
22/03068
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:74
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid (art. 246 (oud) Sr). 1. Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid OM in vervolging i.v.m. vormverzuimen, art. 359a Sv. 2. Kon hof voor bewijs gebruik maken van verklaringen van medeverdachte afgelegd bij politie, nu deze ttz. in hoger beroep zijn ingetrokken? 3. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt t.a.v. betrouwbaarheid van verklaringen van aangever, art. 359.2 Sv. 4. Strafmotivering (voorwaardelijke gevangenisstraf van 60 dagen), detentieongeschiktheid. Strookt door hof opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf met zijn oordeel dat verdachte detentieongeschikt is?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 4 augustus 2022

    ECLI:NL:GHAMS:2022:2284
  2. Conclusie A-G · 12 november 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1199
  3. Hoge Raad · 21 januari 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:74

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/03068

Datum 21 januari 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 augustus 2022, nummer 23-000147-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D. Hwang, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zestig dagen volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2025.