Strafrecht overig
Beklag ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv door advocaat na beslag ex art. 94 Sv op geldbedrag, (digitale) stukken en…
Hoge Raad, 20 mei 2025
ECLI:NL:HR:2025:752 · Hoge Raad · 20 mei 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2025-752
Zaakgegevens
Op 20 mei 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 20 mei 2025
- Datum publicatie
- 15 mei 2025
- Zaaknummer
- 24/04834
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:752
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beklag ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv door advocaat na beslag ex art. 94 Sv op geldbedrag, (digitale) stukken en gegevensdragers onder hem n.a.v. Europees onderzoeksbevel van Belgische autoriteiten t.z.v. verdenking van deelname aan criminele organisatie. 1. Had Rb de zaak moeten verwijzen naar RC, omdat RC inhoudelijke argumenten die door klager aan beroep op verschoningsrecht ten grondslag zijn gelegd niet in zijn beslissing over inbeslagname en verlenen van bevoegdheid tot kennisneming van verschoningsgerechtigd materiaal aan Belgische autoriteiten heeft kunnen betrekken? 2. Kon Rb zich inhoudelijk uitlaten over vraag of t.a.v. inbeslaggenomen goederen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van verschoningsrecht kunnen rechtvaardigen, zonder daarbij kennis te nemen van inhoud van inbeslaggenomen goederen? 3. Motivering ongegrondverklaring van beklag t.a.v. verschillende inbeslaggenomen voorwerpen. Verweren dat inbeslaggenomen goederen niet kunnen worden beschouwd als bewijsmateriaal waarop EOB betrekking heeft dan wel niet kunnen dienen om waarheid aan het licht te brengen.
HR: art. 81.1 RO.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 8 april 2025
ECLI:NL:PHR:2025:420Hoge Raad · 20 mei 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:752
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/04834 Br
Datum 20 mei 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 27 november 2024, nummer RK 23/027563, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.4.10 in samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de klager.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat A.A. Franken bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
De raadsman van de klager heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 mei 2025.