Strafrecht overig

Oplichting, art. 326.1 Sr. 1. Bewijsklacht. Kon hof in zijn bewijsoverweging betekenis toekennen aan gegeven…

Hoge Raad, 27 mei 2025

Zaakgegevens

Op 27 mei 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27 mei 2025
Datum publicatie
16 mei 2025
Zaaknummer
23/04961
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:768
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Oplichting, art. 326.1 Sr. 1. Bewijsklacht. Kon hof in zijn bewijsoverweging betekenis toekennen aan gegeven dat naam die verdachte heeft genoemd bij zijn “babbeltruc” een bekende zou zijn van aangever, terwijl uit bewijsmiddelen niet volgt dat deze persoon inderdaad een bekende is? 2. Bewijsklacht bewegen tot afgifte van geldbedrag. Verweer dat aangever zijn onderzoeksplicht heeft verzaakt.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 6 december 2023

    ECLI:NL:GHSHE:2023:4118
  2. Conclusie A-G · 18 maart 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:341
  3. Hoge Raad · 27 mei 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:768

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/04961

Datum 27 mei 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 december 2023, nummer 20-001738-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat O.J. Much bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2025.