Strafrecht overig

Medeplegen bewerken van 15.260 gram cocaïne, art. 2.B Opiumwet. 1. Bewijsklacht. Kon hof oordelen dat…

Hoge Raad, 10 juni 2025

Zaakgegevens

Op 10 juni 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10 juni 2025
Datum publicatie
10 juni 2025
Zaaknummer
23/00494
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:890
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen bewerken van 15.260 gram cocaïne, art. 2.B Opiumwet. 1. Bewijsklacht. Kon hof oordelen dat verdachte bij alle in de loods aangetroffen cocaïne betrokken was? 2. Strafmotivering (gevangenisstraf van 57 maanden). Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat hof geen langere vrijheidsbeneming dient op te leggen dan verdachte reeds heeft ondergaan wegens persoonlijke omstandigheden van verdachte en omdat Rb bij hanteren van LOVS-oriëntatiepunten ten onrechte is uitgegaan van categorie ‘organisatie’, art. 359.2 Sv.

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/00583.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 20 mei 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:572
  2. Hoge Raad · 10 juni 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:890

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/00494

Datum 10 juni 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 februari 2023, nummer 20-001347-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.F.M. Geeratz bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 57 maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 55 maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2025.