Strafrecht overig

Faillissementsfraude door als bestuurder van rechtspersoon ter bedrieglijke verkorting van rechten van…

Hoge Raad, 10 juni 2025

Zaakgegevens

Op 10 juni 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10 juni 2025
Datum publicatie
10 juni 2025
Zaaknummer
23/04117
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:894
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Faillissementsfraude door als bestuurder van rechtspersoon ter bedrieglijke verkorting van rechten van schuldeisers niet te voldoen aan zijn administratieplichten en enig goed aan de boedel te onttrekken (art. 343.4 (oud) jo. 344a.2.2 Sr en art. 343.1 (oud) Sr). 1. Bewijsklachten niet voldoen aan administratieplichten t.a.v. opzet. 2. Bewijsklachten onttrekken enig goed aan boedel t.a.v. daderschap van verdachte en (voorwaardelijk) opzet. 3. Bewijsklacht onttrekken enig goed aan boedel. Redengevendheid boekstuknummer voor bewijs. 4. Strafmotivering (gevangenisstraf van 22 maanden). Verbazingscriterium.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 23 oktober 2023

    ECLI:NL:GHSHE:2023:3605
  2. Conclusie A-G · 20 mei 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:561
  3. Hoge Raad · 10 juni 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:894

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/04117

Datum 10 juni 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 oktober 2023, nummer 20-001274-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste tot en met het vierde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 22 maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 21 maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2025.