Strafrecht overig

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op auto en geldbedrag (€ 249.700) onder ander dan klagers t.z.v. verdenking van…

Hoge Raad, 7 juli 2026

Zaakgegevens

Op 7 juli 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
7 juli 2026
Datum publicatie
23 juni 2026
Zaaknummer
24/03894
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1011
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op auto en geldbedrag (€ 249.700) onder ander dan klagers t.z.v. verdenking van witwassen, waarna die ander transactie-aanbod ex art. 74 Sr accepteert waarbij hij afstand doet van auto en geldbedrag. Klaagschrift a.b.i. art. 552ab (oud) Sv tegen de in transactie opgenomen voorwaarde afstand te doen van auto en geldbedrag. Kon Rb oordelen dat klagers niet redelijkerwijs als rechthebbenden op inbeslaggenomen voorwerpen kunnen worden aangemerkt?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/03898 B. Vervolg op HR:2024:268.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 12 mei 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:487
  2. Hoge Raad · 7 juli 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1011

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/03894 B

Datum 7 juli 2026

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2024, nummer RK 24/006528, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klager 1],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

en

[klaagster 2] GmbH,

gevestigd in [vestigingsplaats],

hierna: de klagers.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klagers. Namens hen heeft de advocaat I.A. van Straalen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman van de klagers heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2026.