Strafrecht overig

Poging tot doodslag door slachtoffer met mes in zijn gezicht te steken, art. 287 Sr. 1. Noodweer…

Hoge Raad, 7 juli 2026

Zaakgegevens

Op 7 juli 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
7 juli 2026
Datum publicatie
26 juni 2026
Zaaknummer
24/03406
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1076
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Poging tot doodslag door slachtoffer met mes in zijn gezicht te steken, art. 287 Sr. 1. Noodweer, proportionaliteitseis (art. 41.1 Sr). Kon hof oordelen dat manier van verdedigen van verdachte niet voldeed aan vereiste van proportionaliteit? 2. Noodweerexces, art. 41.2 Sr. Kon hof oordelen dat confrontaties niet zodanig zijn geweest dat op grond daarvan het teweegbrengen van hevige gemoedsbeweging kan worden verondersteld?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 26 mei 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:523
  2. Hoge Raad · 7 juli 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1076

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/03406

Datum 7 juli 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 september 2024, nummer 21-005122-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat Y. Moszkowicz bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2026.