Strafrecht overig
Economische zaak. Opzettelijk zonder vergunning winnen van schelpen, begaan door rechtspersoon, meermalen…
Hoge Raad, 7 juli 2026
ECLI:NL:HR:2026:1210 · Hoge Raad · 7 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2026-1210
Zaakgegevens
Op 7 juli 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 juli 2026
- Datum publicatie
- 7 juli 2026
- Zaaknummer
- 23/00486
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1210
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Economische zaak. Opzettelijk zonder vergunning winnen van schelpen, begaan door rechtspersoon, meermalen gepleegd (art. 3.1 Ontgrondingenwet (oud)) en valsheid in geschrift, begaan door rechtspersoon, meermalen gepleegd (art. 225.1 en 225.2 Sr). 1. Ontvankelijkheid OM t.a.v. opzettelijk zonder vergunning winnen van schelpen. Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid OM, omdat Staat ernstig is tekortgeschoten in handhavingsplicht waardoor verdachte (onbewust) jarenlang is doorgegaan met winnen van schelpen op locaties buiten vergund gebied. 2. Bewijsklacht opzettelijk zonder vergunning winnen van schelpen. Kon hof oordelen dat verdachte ‘zonder vergunning’ heeft ontgrond, nu verdachte beschikte over ontgrondingsvergunning maar handelde in strijd met vergunningsvoorwaarde? 3. Bewijsklachten opzettelijk zonder vergunning winnen van schelpen en valsheid in geschrift t.a.v. opzet (‘waakzaamheidsopzet’). Kon hof oordelen dat verdachte bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat schelpenwinning plaatsvond in niet-vergund gebied?
HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/00489 P en met 23/00485 E (niet gepubliceerd; verdachte overleden, OM n-o in vervolging). CAG gaat in op verjaring van opzettelijk zonder vergunning winnen van schelpen.
Procesgang
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 7 februari 2023
ECLI:NL:GHARL:2023:1187Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 26 mei 2026
ECLI:NL:PHR:2026:529Hoge Raad · 7 juli 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1210
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00486 E
Datum 7 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, economische kamer, van 7 februari 2023, nummer 21-001626-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het eerste tot en met het vierde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit alles brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van € 50.000 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2026.