Strafrecht overig

Autodiefstallen (met geweld), art. 310 en 312.1 Sr en beïnvloeding van verklaring van getuige, art. 285a.1…

Hoge Raad, 6 januari 2026

Zaakgegevens

Op 6 januari 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
6 januari 2026
Datum publicatie
2 januari 2026
Zaaknummer
23/02833
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:13
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Autodiefstallen (met geweld), art. 310 en 312.1 Sr en beïnvloeding van verklaring van getuige, art. 285a.1 Sr. 1. Bewijsklacht diefstallen. Blijken visuele en auditieve herkenningen van verdachte als dader uit gebruikte bewijsmiddelen? 2. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat herkenningen o.b.v. enkelvoudige fotoconfrontatie niet betrouwbaar zijn, art. 359.2 Sv. 3. Bewijsklacht diefstallen t.a.v. schakelbewijsconstructie o.b.v. modus operandi. 4. Bewijsklacht diefstal met geweld t.a.v. opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. 5. Verweer dat verklaringen van getuige onbetrouwbaar zijn en moeten worden uitgesloten van bewijs. 6. Afwijzing van voorwaardelijk verzoek tot inzage in medisch dossier van getuige. 7. Bewijsklacht beïnvloeding van verklaring van getuige.

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Rechtbank Limburg · 17 juni 2020

    ECLI:NL:RBLIM:2020:4292
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 13 juli 2023

    ECLI:NL:GHSHE:2023:2347

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Conclusie A-G · 14 oktober 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:1121
  4. Hoge Raad · 6 januari 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:13

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/02833

Datum 6 januari 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 13 juli 2023, nummer 20-001232-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat Y. Moszkowicz bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van acht jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze zeven jaren en acht maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 januari 2026.