Strafrecht overig

Gewoontewitwassen van geldbedragen (in totaal € 585.997,77), art. 420ter.1 jo. 420bis.1.a en 420bis.1.b Sr…

Hoge Raad, 25 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 25 augustus 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25 augustus 2026
Datum publicatie
24 augustus 2026
Zaaknummer
24/01018
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1369
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Gewoontewitwassen van geldbedragen (in totaal € 585.997,77), art. 420ter.1 jo. 420bis.1.a en 420bis.1.b Sr. Bewijsklachten “afkomstig uit enig misdrijf”. Kon hof oordelen dat het niet anders kan zijn dan dat in tll. genoemde geldbedragen van enig misdrijf afkomstig zijn?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/01422 P.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 7 maart 2024

    ECLI:NL:GHSHE:2024:2413
  2. Conclusie A-G · 30 juni 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:665
  3. Hoge Raad · 25 augustus 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1369

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/01018

Datum 25 augustus 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 maart 2024, nummer 20-000420-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat R. Zilver bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 23 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 22 maanden en 2 weken, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 augustus 2026.