Strafrecht overig
Moord door in 2022 in Rotterdam eerst te proberen zijn partner (die hem het huis uit wil zetten) in haar…
Hoge Raad, 15 september 2026
ECLI:NL:HR:2026:1430 · Hoge Raad · 15 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2026-1430
Zaakgegevens
Op 15 september 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 september 2026
- Datum publicatie
- 9 september 2026
- Zaaknummer
- 25/01441
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1430
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Moord door in 2022 in Rotterdam eerst te proberen zijn partner (die hem het huis uit wil zetten) in haar eigen woning te wurgen en vervolgens met stanleymes in haar keel te snijden, waarna zij in poging om te ontkomen uit raam van haar slaapkamer (op tweede verdieping) klimt en naar beneden valt, waardoor zij komt te overlijden, art. 289 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg van moord en veroordeling voor doodslag. Bewijsklachten voorbedachte raad. Kon hof oordelen dat verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad na te denken over betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven en alternatief scenario (verdachte heeft gehandeld in ogenblikkelijke gemoedsopwelling) verwerpen?
HR: art. 81.1 RO.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 7 april 2025
ECLI:NL:GHDHA:2025:575Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 25 augustus 2026
ECLI:NL:PHR:2026:758Hoge Raad · 15 september 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1430
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/01441
Datum 15 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 7 april 2025, nummer 22-001391-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten D.J. Herbrink en R. van Leusden bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep en tot eventuele vernietiging van de duur van de opgelegde gevangenisstraf en vermindering daarvan wegens overschrijding van redelijke termijn in de cassatiefase.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.L.J. van Strien als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 september 2026.