Strafrecht overig

Medeplegen nachtelijke woningoverval waarbij aangever is gedwongen tot afgifte van grote hoeveelheid geld (€…

Hoge Raad, 15 september 2026

Zaakgegevens

Op 15 september 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15 september 2026
Datum publicatie
10 september 2026
Zaaknummer
24/03083
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1443
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen nachtelijke woningoverval waarbij aangever is gedwongen tot afgifte van grote hoeveelheid geld (€ 20.000) uit kluis, art. 317.3 jo. 312.2 Sr. Innerlijke tegenstrijdigheid ’s hofs arrest. Is arrest innerlijk tegenstrijdig, nu hof de verklaring van aangever dat geldbedrag van € 20.000 uit kluis is weggenomen voor bewijs heeft gebruikt maar t.a.v. vordering benadeelde partij (van diezelfde aangever) heeft geoordeeld dat niet in voldoende mate kan worden vastgesteld dat dit geldbedrag daadwerkelijk is weggenomen?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 16 juni 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:583
  2. Hoge Raad · 15 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1443

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/03083

Datum 15 september 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 juli 2024, nummer 21-000106-24, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit alles brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en zes maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 september 2026.