Strafrecht overig

Belediging van politieagent, art. 266.1 jo. 267.1.2 Sr. Bewijsklacht “gedurende rechtmatige uitoefening van…

Hoge Raad, 31 maart 2026

Zaakgegevens

Op 31 maart 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31 maart 2026
Datum publicatie
26 maart 2026
Zaaknummer
23/04821
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:515
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Belediging van politieagent, art. 266.1 jo. 267.1.2 Sr. Bewijsklacht “gedurende rechtmatige uitoefening van zijn bediening”. Kon hof oordelen dat opsporingsambtenaar bevoegd was tot identiteitsfouillering ex art. 55b Sv en dat daarmee sprake was van rechtmatige uitoefening van zijn bediening?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 17 maart 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:94
  2. Hoge Raad · 31 maart 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:515

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/04821

Datum 31 maart 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 december 2023, nummer 21-004314-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat L.C. de Lange bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van twee weken volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2026.