Strafrecht overig

Medeplegen witwassen van geldbedrag (€ 230.000) in tas achter bijrijdersstoel van een door verdachte…

Hoge Raad, 19 mei 2026

Zaakgegevens

Op 19 mei 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19 mei 2026
Datum publicatie
10 april 2026
Zaaknummer
24/02518
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:626
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen witwassen van geldbedrag (€ 230.000) in tas achter bijrijdersstoel van een door verdachte bestuurde auto, art. 420bis.1.b Sr. Bewijsklachten voorhanden hebben en medeplegen. Hebben verdachte en medeverdachte de tas met € 230.000 bewust aanwezig en derhalve voorhanden gehad?

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/02516 en 24/02580.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 2 juli 2024

    ECLI:NL:GHAMS:2024:1844
  2. Conclusie A-G · 10 maart 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:205
  3. Hoge Raad · 19 mei 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:626

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/02518

Datum 19 mei 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2024, nummer 23-004472-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D. Bektesevic bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2026.