Strafrecht overig

Telen van grote hoeveelheid hennepplanten in de door verdachte gehuurde woning (art. 3.B jo. 11.2 en 11.5…

Hoge Raad, 9 juni 2026

Zaakgegevens

Op 9 juni 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
9 juni 2026
Datum publicatie
5 juni 2026
Zaaknummer
24/02041
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:887
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Telen van grote hoeveelheid hennepplanten in de door verdachte gehuurde woning (art. 3.B jo. 11.2 en 11.5 Opiumwet) en diefstal van elektriciteit d.m.v. verbreking (art. 311.1.5 Sr). 1. Bewijsklacht hennepteelt. Kon hof oordelen dat stelling van verdachte dat hij zijn woning aan een derde ter beschikking heeft gesteld en dat deze derde in ruil daarvoor zijn woning zou opknappen, niet aannemelijk is geworden? 2. Bewijsklacht diefstal. Kon hof oordelen dat het niet anders kan zijn dan dat het verdachte zelf is geweest die in tlgd. periode in de door hem gehuurde woning hennep heeft geteeld en elektriciteit heeft weggenomen?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 14 mei 2024

    ECLI:NL:GHSHE:2024:1648
  2. Conclusie A-G · 12 mei 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:438
  3. Hoge Raad · 9 juni 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:887

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/02041

Datum 9 juni 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 mei 2024, nummer 20-002311-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.C. van der Want bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep met eventueel strafvermindering vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2026.