Strafrecht overig
Strafrechtelijk onderzoek “Eris” naar 5 liquidaties in 2017 en plannen om andere personen te vermoorden…
Hoge Raad, 9 juni 2026
ECLI:NL:HR:2026:895 · Hoge Raad · 9 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2026-895
Zaakgegevens
Op 9 juni 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 juni 2026
- Datum publicatie
- 8 juni 2026
- Zaaknummer
- 25/00658
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:895
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Strafrechtelijk onderzoek “Eris” naar 5 liquidaties in 2017 en plannen om andere personen te vermoorden. Medeplegen (poging tot) (uitlokking van medeplegen) moord, meermalen gepleegd (art. 289 Sr), medeplegen uitlokking van openlijke geweldpleging (art. 141.1 Sr) en als leider deelnemen aan criminele organisatie (art. 140.4 Sr). Levenslange gevangenisstraf opgelegd. 1. Rechtmatigheid van kroongetuigeovereenkomst en verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid OM vanwege verlaagde basisstrafeis. 2. Vormverzuimen o.b.v. ‘Landeck’ en ‘Prokuratuur’, art. 359a Sv. 3. Bewijsklachten medeplegen poging tot uitlokking van medeplegen moord t.a.v. tijdstip van uitlokking, versturen van foto, beloften waardoor ander is bewogen, opzet van verdachte op moord en innerlijke tegenstrijdigheid bewezenverklaring m.b.t. bewezenverklaarde periode. 4. Bewijsklacht medeplegen poging tot uitlokking van medeplegen moord. Verweer dat ander reeds was uitgelokt om moord te plegen vóórdat verdachte in beeld kwam. 5. Bewijsklacht medeplegen uitlokking van medeplegen moord. 6. Bewijsklacht medeplegen uitlokking van openlijke geweldpleging. Kon hof oordelen dat verdachte wetenschap had van en opzet had op feit dat woning beschoten zou worden en dat verdachte of ander geld in het vooruitzicht heeft gesteld? 7. Oplegging levenslange gevangenisstraf. Levert oplegging van levenslange gevangenisstraf een schending van art. 3 EVRM op?
HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 25/00523, 25/00524, 25/00537, 25/00542, 25/00579, 25/00659, 25/00667, 25/00689 en 25/00690.
Procesgang
Rechtbank Midden-Nederland · 5 juli 2022
ECLI:NL:RBMNE:2022:2541Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 12 februari 2025
ECLI:NL:GHARL:2025:574Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 24 maart 2026
ECLI:NL:PHR:2026:296Hoge Raad · 9 juni 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:895
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00658
Datum 9 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 februari 2025, nummer 21-003037-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten P. van Dongen en D.J. Herbrink bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren R. Kuiper en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2026.