Strafrecht overig
Strafrechtelijk onderzoek “Eris” naar 5 liquidaties in 2017 en plannen om andere personen te vermoorden…
Hoge Raad, 9 juni 2026
ECLI:NL:HR:2026:897 · Hoge Raad · 9 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2026-897
Zaakgegevens
Op 9 juni 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 juni 2026
- Datum publicatie
- 8 juni 2026
- Zaaknummer
- 25/00542
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:897
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Strafrechtelijk onderzoek “Eris” naar 5 liquidaties in 2017 en plannen om andere personen te vermoorden. Medeplegen (voorbereiding van) moord, meermalen gepleegd (art. 289 Sr), openlijke geweldpleging (art. 141.1 Sr), voorhanden hebben van wapens (art. 26.1 WWM) en deelnemen aan criminele organisatie (art. 140.4 Sr). 1. Relatieve bevoegdheid Rb en hof, art. 6.3 Sv. 2. Bewijsklacht medeplegen moord en afwijzing van verzoek om DNA-deskundige op activatieniveau te horen. Is het aantreffen van celmateriaal van verdachte op verbrand kledingrestant redengevend voor bewezenverklaring? 3. Bewijsklacht medeplegen moord t.a.v. gebruik van bewijsmiddelen. Zijn b.m. m.b.t. navigatiesysteem redengevend voor bewijs? 4. Bewijsklacht openlijke geweldpleging t.a.v. aanwezigheid en betrokkenheid van verdachte. Is gebruikt bewijs voor aanwezigheid van verdachte bij beschieting van woning redengevend voor bewijs? 5. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt strekkende tot bewijsuitsluiting van verklaringen van kroongetuige, art. 359.2 Sv. 6. Bewijsklacht voorbereiding van moord. Heeft hof verzuimd te beslissen op bewijs- en betrouwbaarheidsverweren m.b.t. betwisting van betrouwbaarheid van getuigen? 7. Vormverzuimen o.b.v. ‘Prokuratuur’, art. 359a Sv. 8. Bewijsklacht deelnemen aan criminele organisatie. Heeft verdachte deelgenomen aan criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van misdrijven?
HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 25/00523, 25/00524, 25/00537, 25/00579, 25/00658, 25/00659, 25/00667, 25/00689 en 25/00690.
Procesgang
Rechtbank Midden-Nederland · 5 juli 2022
ECLI:NL:RBMNE:2022:2511Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 12 februari 2025
ECLI:NL:GHARL:2025:586Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 24 maart 2026
ECLI:NL:PHR:2026:295Hoge Raad · 9 juni 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:897
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00542
Datum 9 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 februari 2025, nummer 21-003036-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.Y. Taekema bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren R. Kuiper en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2026.