Strafrecht overig

Volgens art. 103 WvSv kan beslag op grond van art. 94a WvSv alleen worden gelegd krachtens schriftelijke, op…

Hoge Raad, 11 februari 1997

Zaakgegevens

Op 11 februari 1997 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
11 februari 1997
Datum publicatie
8 april 2013
Zaaknummer
3582
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:1997:ZD0640
E-mail

Samenvatting

Volgens art. 103 WvSv kan beslag op grond van art. 94a WvSv alleen worden gelegd krachtens schriftelijke, op vordering van de officier van justitie door de R-C verleende machtiging. Zo'n machtiging kan niet in een later stadium op schrift worden gesteld. Belangen van de betrokkene zijn door dit verzuim redelijkerwijze niet geschaad.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 13 november 1996

    ECLI:NL:PHR:1996:29
  2. Hoge Raad · 11 februari 1997deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:1997:ZD0640

    Conclusie gevolgd

Uitspraak

11 februari 1997

Strafkamer

Nr. 3582 Besch.

LD

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage van 22 juli 1996 op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden beschikking

De Rechtbank heeft ongegrond verklaard het door [klager] ingediende beklag strekkende tot teruggave aan hem van de in bovenvermelde beschikking omschreven personenauto.

2. Het cassatieberoep

Het beroep is ingesteld door G. [klager]. Namens deze heeft mr P. Suringa, advocaat te Wateringen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De Advocaat-Generaal Van Dorst heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4. Motivering van de bestreden beschikking

De Rechtbank heeft aan haar beschikking, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, de volgende overweging ten grondslag gelegd:

Uit de behandeling in raadkamer is naar voren gekomen dat het beslag rechtsgeldig is gelegd. Uit het proces-verbaal van regiokorps Haaglanden, bureau Westland-West, met proces-verbaalnummer 02/04/96-14-1-0, blijkt namelijk dat de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, op vordering van de officier van justitie op 2 april 1996 een mondelinge machtiging tot het leggen van conservatoir beslag heeft verleend, die de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, bij beslissing van 11 april 1996 schriftelijk heeft bevestigd.

5. Beoordeling van het middel

5.1. Ingevolge art. 103 Sv kan beslag op grond van art. 94a Sv slechts worden gelegd krachtens schriftelijke, op vordering van de officier van justitie door de rechter-commissaris verleende machtiging. De rechter-commissaris dient daarbij de rechtmatigheid en de opportuniteit van het door de officier van justitie beoogde beslag te beoordelen. Het vereiste dat de machtiging schriftelijk wordt verleend, strekt ertoe zeker te stellen dat die rechterlijke toetsing voorafgaand aan het beslag heeft plaatsgevonden. Gelet daarop kan in beginsel niet worden aanvaard dat zodanige machtiging eerst in een later stadium op schrift wordt gesteld. Een beklag tegen een inbeslagneming als bedoeld in art. 94a Sv op grond dat deze is geschied zonder dat een schriftelijke machtiging is verleend, is dan ook om die reden gegrond, tenzij in het concrete geval de belangen van de betrokkene door dat verzuim redelijkerwijze niet kunnen zijn geschaad.

5.2. De Rechtbank is kennelijk ervan uitgegaan dat te dezen de belangen van de betrokkene door het verzuim redelijkerwijze niet kunnen zijn geschaad. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk in het licht van hetgeen de Rechtbank heeft vastgesteld. Het behoefde geen nadere motivering in aanmerking genomen dat niet is aangevoerd dat klager door het verzuim in zijn belangen is geschaad.

5.3. Het middel faalt derhalve.

6. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

7. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president Hermans als voorzitter, en de raadsheren Keijzer, Bleichrodt, Corstens en Aaftink, in bijzijn van de griffier Bogaert in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 1997.