Strafrecht overig

Hoge Raad · Cassatie · Strafrecht overig

Zaakgegevens

Op 19 oktober 1999 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
19 oktober 1999
Datum publicatie
8 april 2013
Zaaknummer
111.454
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:1999:ZD3546
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Uitspraak

19 oktober 1999

Strafkamer

nr. 111.454

AB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Maastricht van 27 september 1996 in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, wonende te [plaats].

1. De bestreden einduitspraak

De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Kantonrechter te Maastricht van 28 april 1995 - de verdachte ter zake van 1. en 2. "als degene aan wie het kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen hebben gesloten en in stand gehouden" veroordeeld ten aanzien van de feiten 1. en 2. tot tweemaal een geldboete van telkens zevenhonderdvijftig gulden, subsidiair telkens vijftien dagen hechtenis, met tweemaal ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van telkens vier maanden.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad oordeelt geen grond aanwezig waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd. Daarom moet het cassatieberoep worden verworpen.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Davids als voorzitter, en de raadsheren Aaftink en Van Buchem-Spapens, in bijzijn van de waarnemend- griffier Munsterman, en uitgesproken op 19 oktober 1999.