Strafrecht overig

Hoge Raad · Cassatie · Strafrecht overig

Zaakgegevens

Op 21 september 1999 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
21 september 1999
Datum publicatie
8 april 2013
Zaaknummer
111.306
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:1999:ZD6205
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Uitspraak

21 september 1999

Strafkamer

nr. 111.306

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 10 november 1997 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, wonende te [plaats].

1. De bestreden einduitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 15 juni 1995 - de verdachte ter zake van 1. "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" en 2. "opzettelijk een der in artikel 10 van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen genoemde verplichtingen niet nakomen" veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr L.G.U. Compri, advocaat te Nijmegen , bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De conclusie is aan dit arrest gehecht.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel behelst onder II de klacht dat het Hof een door de verdachte gevoerd "onrechtmatig verkregen bewijs-verweer" niet gemotiveerd heeft weerlegd.

3.2. Hetgeen in dit verband door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 15 juli 1997 is aangevoerd, is weergegeven in rubriek 3.3.2 onder A en onder B van de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3.3. Het Hof heeft verzuimd in zijn arrest een gemotiveerde beslissing op die verweren A en B te geven, zodat het middel in zoverre terecht is voorgesteld. Dat behoeft evenwel op grond van het navolgende niet tot cassatie te leiden.

3.4.1. Voorzover het verweer het oog heeft op de huiszoeking in een kamer in perceel [a-straat 1] te [plaats] , welke kamer naar de stelling van de verdachte door [betrokkene 1] van hem werd gehuurd (verweer A) verdient opmerking dat het zich bij de stukken van het geding bevindende verlof tot huiszoeking voor geen andere uitleg vatbaar is dan dat het is gegeven voor het gehele perceel [a-straat 1] , zodat de gestelde huurverhouding er niet aan in de weg stond dat de bevoegdheid tot huiszoeking zich uitstrekte tot het gehele perceel. Het middel faalt derhalve in zoverre.

3.4.2. Voorzover het middel blijkens de toelichting ziet op verweer B faalt het eveneens. Immers, door een onderzoek als in het verweer gesteld zou geen inbreuk zijn gemaakt op een rechtens beschermd belang van de verdachte.

3.5. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Bleichrodt en Orie, in bijzijn van de griffier Bakker, en uitgesproken op 21 september 1999.