Strafrecht overig

Hoge Raad · Cassatie · Strafrecht overig

Hoge Raad, 19 maart 2002

Zaakgegevens

Op 19 maart 2002 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19 maart 2002
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
00148/00
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2002:AD8946
E-mail

Samenvatting

Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 19 maart 2002deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2002:AD8946

  2. Conclusie A-G · 19 maart 2002

    ECLI:NL:PHR:2002:AD8946

Uitspraak

19 maart 2002

Strafkamer

nr. 00148/00

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 september 1999, nummer 22/002898-97, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren in het district Suriname (Suriname) op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 22 september 1997 - de verdachte ter zake van 1. en 2. "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd", 3. "opzettelijk niet voldoen aan een vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast" en 4. "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander boetehoort vernielen" veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van éénhonderd uren, in plaats van acht weken gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen in voege als in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging en tot vermindering van de straf, met verwerping van het beroep voor het overige.

3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte heeft op 16 september 1999 beroep in cassatie ingesteld. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 22 januari 2002 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.

Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft het aantal uren te verrichten onbetaalde arbeid ten algemenen nutte en de duur van de gevangenisstraf waarvoor deze in de plaats treedt;

Vermindert het aantal uren onbetaalde arbeid ten algemenen nutte in die zin dat dit 90 uren bedraagt;

Vermindert de duur van de gevangenisstraf waarvoor de onbetaalde arbeid in de plaats treedt in die zin dat deze zeven weken beloopt;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 19 maart 2002.