Strafrecht overig

Geen vervangende hechtenis bij ontneming; toepassing nieuw art. 577c Sv (HR LJN AF9473).

Hoge Raad, 22 juni 2004

Zaakgegevens

Op 22 juni 2004 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22 juni 2004
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
01963/03 P
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2004:AO5828
E-mail

Samenvatting

Geen vervangende hechtenis bij ontneming; toepassing nieuw art. 577c Sv (HR LJN AF9473).

Procesgang

  1. Hoge Raad · 22 juni 2004deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2004:AO5828

  2. Conclusie A-G · 22 juni 2004

    ECLI:NL:PHR:2004:AO5828

Uitspraak

22 juni 2004

Strafkamer

nr. 01963/03 P

SG/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 3 februari 2003, nummer 21/002900-02, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, ten tijde van de aanzegging in cassatie gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Overijssel".

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep met vernietiging van een beslissing van de Politierechter in de Rechtbank te Zwolle van 23 november 2001 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.537,80, subsidiair negentig dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. G.A.C. Beckers, advocaat te Stein, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voorzover daarbij vervangende hechtenis is opgelegd en tot verwerping van het beroep voor het overige.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel bevat onder meer de klacht dat door het Hof ten onrechte vervangende hechtenis is opgelegd. Die klacht treft doel.

3.2. Ingevolge de art. V en VI van de Wet van 8 mei 2003 tot wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (Stb. 2003, 202) is op de onderhavige zaak art. 577c Sv van toepassing. De Hoge Raad zal daarom de bestreden uitspraak vernietigen voorzover daarbij vervangende hechtenis is opgelegd (vgl. HR 7 oktober 2003, LJN AF9473).

3.3. Voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voorzover daarbij vervangende hechtenis is opgelegd;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst, J.W. Ilsink en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 22 juni 2004.