Strafrecht overig
Conclusie A-G Jörg ambtshalve: hof schond art. 359.7 (oud) Sv maar ambtshalve behoeft dat niet tot cassatie…
ECLI:NL:HR:2005:AT5934 · Hoge Raad · 13 september 2005
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2005-at5934
Zaakgegevens
Op 13 september 2005 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 september 2005
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 03089/04
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2005:AT5934
Samenvatting
Conclusie A-G Jörg ambtshalve: hof schond art. 359.7 (oud) Sv maar ambtshalve behoeft dat niet tot cassatie te leiden. HR verwerpt het beroep: het middel, dat niet klaagt over schending van art. 359.7 (oud) Sv, kan niet tot cassatie leiden, terwijl de HR ook geen grond aanwezig orodeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd.
Procesgang
Hoge Raad · 13 september 2005deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2005:AT5934
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 13 september 2005
ECLI:NL:PHR:2005:AT5934
Uitspraak
13 september 2005
Strafkamer
nr. 03089/04
AGJ/AM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Leeuwarden, van 30 januari 2004, nummer 24/001043-03 en 24/001040-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van twee vonnissen van de Politierechter in de Rechtbank te Alkmaar van 17 april 2003 - de verdachte ter zake van (zaak A) "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder B, (oud) van de Opiumwet gegeven verbod" en (zaak B) "overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het middel
Het middel dat niet klaagt over schending van art. 359, zevende lid (oud), Sv kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 13 september 2005.